De negen dansers staan op een rij, eerst zacht wiegend in het enorme doek achter hen. Zij playbacken een onverstaanbaar lied en golven en plooien het doek, tot ze erin verdwijnen. Hier is al die onmetelijke kracht te zien, waarmee de dansers proberen de materialen te manipuleren en de materialen hen, waartussen zij zich staande proberen te houden. Het plateaueffect heeft zelf als effect dat je niet goed weet waar het heen zal gaan.
De dreunende beats van David Kiers lijken een wereld te scheppen die oneindig is, maar wel veranderlijk. Het lichtontwerp van Minna Tiikainen pulseert, dan weer stuwt zij de bewegingen. Intiem onderzoekend tot groots en onontkoombaar.
Het toneelbeeld oogt architectonisch, functioneel. Het zuigt je de scène in. De dansers werken samen om het doek op te knopen, schuiven met gewichten, trekken aan kabels. Als een enorm zeilschip dat opgetuigd wordt, golft en zwiept het doek boven hun hoofden. Zij springen over touwen, knopen leggend, kabels sjorrend, steeds maar door. De muziek is indringend, het licht heftig, tot de situatie echt niet meer houdbaar is en het doek weer neergelaten wordt.
Van Dinther en het Cullberg Ballet laten zien dat ‘experiment’ en installatie ook prima samengaan op het grote podium. Het Cullberg ballet staat bekend om haar verschillende voorstellingen, kleine en grote producties die het experiment en locaties niet schuwen. Eerder maakte van Dinther The Way Things Go (2009) voor het Cullberg Ballet. Dat het NDT nu voorzichtig een stap buiten haar eigen deuren waagt, verbleekt bijna naast dit binnenexperiment.
Gezien: 11 juli 2013, Stadsschouwburg Amsterdam, Rabozaal
Choreografie: Jeftha van Dinther


