Door de hele menselijke geschiedenis heen ontwikkelden culturen wereldwijd manieren om betekenis te geven aan het leven. Opvallend genoeg speelt juist de dood daarin vaak een belangrijke rol. In plaats van haar alleen te vrezen, proberen samenlevingen de dood symbolisch onder ogen te komen, onder meer via dans. In het Westen kennen we de 'dodendans' vooral als de Danse Macabre, maar ook buiten Europa is dit een terugkerend thema.
Door: Thijmen Oort
Het nadenken over de vergankelijkheid van het leven wordt sinds de renaissance vaak aangeduid met het begrip vanitas: het besef dat rijkdom, macht en schoonheid tijdelijk zijn en dat ieder mens uiteindelijk sterfelijk is. De dood wordt binnen deze gedachte niet alleen gezien als een einde, maar ook als iets dat aanzet tot reflectie over hoe een zinvol leven geleefd kan worden. De dodendans symboliseert daarom vaak het accepteren van sterfelijkheid in plaats van het ontkennen ervan.
De Danse Macabre
In Europa staat de dodendans vooral bekend als de Danse Macabre. De term werd populair door het beroemde gelijknamige muziekstuk van de Franse componist Camille Saint-Saëns uit 1875. In Nederland kennen veel mensen dit muziekstuk als de soundtrack van het Spookslot in de Efteling; sinds 2024 draagt ook de opvolger van deze attractie toepasselijk de naam Danse Macabre. In de compositie verschijnt de Dood op een kerkhof om middernacht, waar skeletten uit hun graven opstaan en met elkaar dansen tot de zon weer opkomt.
Hoewel Saint-Saëns het thema in de negentiende eeuw muzikaal verwerkte, bestond de voorstelling van de dodendans al veel langer. Vanaf de veertiende eeuw verscheen de 'Dans van de Dood’ regelmatig in de Europese kunst en literatuur. Waarschijnlijk was dit als reactie op de enorme sterfte tijdens de pestepidemieën van de late middeleeuwen.
Het is onduidelijk wat de eerste afbeelding van de Danse Macabre was en uit welk jaartal die stamt, maar waarschijnlijk vormde de voorstelling op de Cimetière des Innocents in Parijs het begin van de populariteit van het motief. Vele kerkmuren werden vanaf de late middeleeuwen geschilderd met een afbeelding van de dodendans.
De Danse Macabre beeldde de dood af als een universele gelijkmaker. Koningen, priesters, handelaren, armen en bedelaars werden samen afgebeeld in dezelfde dans. De boodschap was duidelijk: niemand kan ontsnappen aan de dood, ongeacht sociale status of rijkdom. Juist daarom spoorde de dodendans mensen aan om bewust en betekenisvol te leven.
Dodendansen in het Oosten
Ook in veel oosterse culturen wordt dans verbonden met de cyclus van leven, dood en wedergeboorte. Binnen het hindoeïsme is de Nataraja een bekend symbool. De Nataraja is een verschijningsvorm van de god Shiva als de Heer van de Dans. In zijn kosmische dans vernietigt, beschermt en herschept de godheid het universum. De ring van vuur rondom hem symboliseert de eeuwige beweging van de tijd. Shiva verschijnt als dansende figuur al in Indiase tempelsculpturen uit de vijfde en zesde eeuw n.Chr. Vanaf de tiende eeuw werd de tegenwoordig bekende vrijstaande vorm, meestal uitgevoerd in brons, de standaard.
De Chitipati, ook wel de ‘Heer en Vrouw van het Kerkhof', zijn Tibetaans-boeddhistische figuren die worden afgebeeld als twee dansende skeletten, vergelijkbaar met de Europese Danse Macabre. De figuren symboliseren de vergankelijkheid van het leven, het belang van spiritueel bewustzijn en de voortdurende cyclus van leven en dood. Volgens de legende waren de Chitipati in hun vorige leven monniken die tijdens meditatie werden onthoofd door dieven. Na hun dood veranderden zij in wraakzuchtige geesten die dieven en moordenaars straffen. Tibetaanse monniken eren de Chitipati nog altijd twee keer per jaar door hun dansritueel na te spelen en op hun hoorn te blazen.
Recente vormen van de dodendans
Een moderne variant van de dodendans ontstond in Japan met de experimentele dansvorm Butoh. Deze stijl werd eind jaren vijftig ontwikkeld door choreografen Tatsumi Hijikata en Kazuo Ohno.
Dit artikel verscheen eerder bij Isgeschiedenis.